woensdag 2 mei 2012

Woningmarkt verder in het slop met dit conceptakkoord?

Vorige week heeft een coalitie van 5 partijen een akkoord bereikt over een stabiliteitsprogramma voor Nederland. Met betrekking tot de woningmarkt zijn daarbij de volgende zaken opgenomen:

- Vanaf januari 2013 moeten nieuwe hypotheken gedurende de looptijd in 30 jaar volledig en ten minste annuïtair worden afgelost om in aanmerking te komen voor de hypotheekrenteaftrek.
- Om de risico’s van hoge hypotheekschulden verder te beperken, wordt de Loan-to-Value ratio geleidelijk beperkt tot 100%.
- Om de doorstroming op de woningmarkt te verbeteren, wordt de overdrachtsbelasting op woningen permanent verlaagd tot 2%.

De permanente verlaging van de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% is een goede zaak, omdat het een verstoring van de woningmarkt ten dele opheft. De beslissing tot aankoop van een woning wordt door deze verlaging veel minder beïnvloed door absurd hoge transactiekosten, hetgeen doorstroming zou moeten bevorderen.

In het verleden werd met de hoge overdrachtsbelasting veel te makkelijk omgesprongen door alle betrokken partijen, doordat deze kosten veelal werden meegefinancierd en de woningprijzen jaar na jaar gestaag stegen. Hierdoor steeg de waarde van de woning vanzelf boven de waarde van de hypotheek en leek er niets aan de hand, daar men netto toch vermogen opbouwde. Feit blijft echter dat op een aankoopbedrag van bijvoorbeeld 200 duizend euro, de belasting 12 duizend euro bedroeg, een bedrag waarvoor de meeste gezinnen erg lang moeten sparen.

Door de voorgestelde maatregelen legt de overheid een forse spaarverplichting bij nieuwe woningeigenaren, door te eisen dat een hypotheek volledig wordt afgelost in 30 jaar om voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking te komen. Dit heeft grote consequenties voor het netto bestedingspatroon van betrokken huishoudens. Dit zal hieronder geïllustreerd worden met 2 situaties, waarbij uit wordt gegaan van een woningwaarde van 200 duizend euro, een gezinsinkomen van 50 duizend euro, een marginaal belastingtarief van 42%, en een hypotheekrente van 4% die voor 30 jaar vast staat. In beide situaties wordt geen rekening gehouden met andere kosten, zoals het huurwaardeforfait en onderhoudskosten, daar die in beide situaties gelijk zijn. Ook is geen rekening gehouden met de aankoopkosten die in de huidige situatie nog meegefinancierd kunnen worden. In de eerste situatie is sprake van een aflossingsvrije hypotheek. In de tweede situatie is sprake van een annuïteitenhypotheek, waarbij de hoofdsom volledig wordt afgelost, zoals het conceptakkoord eist:



In geval van de aflossingsvrije hypotheek zijn de uitgaven elk jaar gelijk en bestaan slechts uit rentekosten. Door het belastingvoordeel zullen de netto kosten per jaar 4,640 euro bedragen. Aan het eind van de looptijd zal de volledige schuld geherfinancierd dienen te worden, danwel geheel of gedeeltelijk afgelost te worden uit beschikbare middelen. Deze herfinanciering hoeft tezijnertijd geen groot probleem te zijn, indien nog sprake is van een inkomen, en de Loan-to-Value ratio substantieel gedaald is. In het geval dat de waarde van de woning jaarlijks met 1% gestegen is gedurende de looptijd zal de Loan-to-Value ratio gedaald zijn tot 74%; bij een jaarlijkse waardestijging van 2% is de Loan-to-Value ratio zelfs gedaald tot 55%.



In de situatie met de annuïteitenhypotheek zijn de netto uitgaven in het eerste jaar 8,206 euro, waarvan een bedrag van 3,566 uit een “gedwongen” spaarbedrag bestaat en 11,379 euro in het laatste jaar, met een spaarbedrag van 11,121 euro. Dit geeft een jaarlijkse uitgavenstijging van 1.1%. De verwachting zal zijn dat door gestaag stijgende inkomsten, hetzij door inflatie, hetzij door een reëele inkomstenstijging, dit bedrag op te brengen zal zijn. Indien men in staat is deze financiële krachttoer te volbrengen zal na 30 jaar wel sprake zijn van het bezit van een huis zonder schuld en is er derhalve een behoorlijk netto vermogen opgebouwd.

Een vergelijking van de twee situaties toont dat in situatie 1, bij een aflossingsvrije hypotheek, de totale uitgaven gedurende de looptijd 146 duizend euro lager zijn dan in situatie 2. In jaar 1 zijn de uitgaven 3,566 euro lager, in jaar 30 zijn deze 6,739 euro lager. Dit bedrag van 146 duizend euro had dus gebruikt kunnen worden voor consumptie of andere spaar- en beleggingsvormen. Volgens het conceptakkoord zal het belastingvoordeel voor hypotheken fors afnemen; van ruim 100 duizend euro tot bijna 62 duizend euro in de hier geschetste situaties.

Men kan zich afvragen hoe zinvol en noodzakelijk het is om een hypotheekschuld volledig af te lossen. Naarmate meer afgelost is, heeft de eigenaar meer geld in de woning "belegd". Voor de kredietverschaffer is het helemaal niet noodzakelijk dat een schuld wordt afgelost (en mischien zelfs onwenselijk), en deze zal prima kunnen leven met Loan-to-Value ratio’s van bijvoorbeeld 60%-80%, mits de maandelijkse aflossingen voldoende gewaarborgd zijn. Voor de woningeigenaar betreft het ook een beleggingsbeslissing. Wellicht is aflossing van de hypotheekschuld niet de beste aanwending van beschikbaar vermogen en is voor de langere termijn een belegging in andere beleggingsvormen veel aantrekkelijker.

Met name starters die nog weinig of geen kapitaal hebben opgebouwd zullen getroffen worden door de voorgenomen maatregelen door de overheid. Zij krijgen immers te horen dat er voldoende middelen aanwezig dienen te zijn om de aankoopkosten te voldoen, die ook na verlaging van de overdrachtsbelasting al gauw 5%-6% zullen bedragen van het aankoopbedrag. Vervolgens worden zij geconfronteerd met een forse spaarverplichting, die zeker in de eerste jaren wellicht helemaal niet op te brengen is, en ook niet wenselijk of noodzakelijk hoeft te zijn.

De plicht tot volledig aflossing in 30 jaar om voor hyptheekrenteaftrek in aanmerking te komen lijkt veel te zwaar en onzinnig vanuit het perspectief van woningeigenaren en kredietverschaffers. Het zal in vele gevallen kunnen leiden tot de onbereikbaarheid van een hypotheek, door de te hoge gedwongen spaarverplichting. De overheid zou er goed aan doen om tenminste iets te doen aan het verplicht af te lossen gedeelte. Indien bijvoorbeeld de maximale schuld aan het einde van de looptijd nog 60% zou mogen bedragen, zouden de uitgaven in jaar 1 van situatie 2 al dalen tot 6,066 euro, hetgeen 26% lager is dan bij de verplichting tot volledige aflossing. Het lijkt welhaast onvermijdelijk dat bij deze overheidsmaatregelen de druk op de woningmarkt zal voortduren en wellicht verhevigen.

De overheid zou structureel de (fiscale) bemoeienis met de eigen woningmarkt moeten heroverwegen. Zoals hierboven gesteld is het moeilijk in te zien hoe de voorgenomen maatregelen bij zullen dragen aan herstel van de woningmarkt. Vereenvoudiging van het systeem door volledige afschaffing van de hypotheekrenteaftrek zou een veel betere optie zijn, maar dan wel in samenhang met verlaging van de tarieven van de inkomstenbelasting. Laat dan vervolgens kredietverschaffers zelf de kredietrisico’s beoordelen EN dragen. Zij hebben tenslotte de taak en expertise om te beoordelen of een aanvrager in staat is om aan de verplichtingen te voldoen die bij een hypotheek horen.

woensdag 27 juli 2011

Wat doen we nu met Philips?

Na een voortvarend begin in 2011, waarbij de koers van Philips een niveau behaalde van € 25.34 op 18 januari, is het hard achteruit gegaan, waarbij het aandeel zich de laatste weken beweegt in een range van € 17-18. Sinds het begin van 2011 heeft het aandeel ruim 23% van zijn waarde verloren, terwijl de AEX index “slechts” 5% daalde. Uiteraard heeft dit alles te maken met de tegenvallende resultaten en vooruitzichten zoals die de afgelopen maanden zijn gecommuniceerd. De presentatie en toelichting van de halfjaarcijfers hebben vooralsnog niet tot een enig herstel van de aandelenkoers geleid en men kan zich afvragen of dit terecht is en of de huidige koers van Philips wel de werkelijke waarde reflecteert.

Bij de presentatie van de halfjaarcijfers over 2011 was Philips duidelijk over de nieuwe doelstellingen voor de middellange termijn, en op basis van deze doelstellingen kan getracht worden te bepalen wat de winstgevendheid van de onderneming in 2013 ongeveer zou moeten zijn.
Door voortvarend maatregelen te nemen, onder andere via het “Accelerate” kostenreductieprogramma, waarbij een kostenbesparing van € 500 miljoen gerealiseerd dient te worden, en de inkoop van eigen aandelen ter waarde van € 2 miljard, verwacht het nieuwe bestuur van Philips de volgende targets te halen op middellange termijn (2013):

• Omzet groei 4-6%
• EBITA 10-12%
• ROIC 12-14%

Op basis van deze targets voor omzet en EBITA kunnen we proberen een range te bepalen voor de nettowinst voor 2013:



Uit de tabel blijkt dat in 2013 een omzet verwacht kan worden van € 28.0-29.7 miljard en EBITA van € 2.8-3.6 miljard, waarbij in 2011 een lage omzet groei van slechts 2-4% als uitgangspunt is genomen . Met een EBITA van ruim € 2.5 miljard in 2010 lijkt dit niet bijzonder agressief of onrealistisch.
Om van EBITA naar netto resultaat te komen, dienen nog amortisatie, interest, belastingen en overige resultaten in aanmerking genomen te worden. Hierbij zullen amortisatie en belastingen de dominante posten vormen. Voor deze exercitie is aangenomen dat de zojuist genoemde posten een waarde van € 1.1 miljard bedragen in het conservatieve scenario en € 1.3 miljard, vanwege de hogere belastingen, in het positievere scenario. Dit zou leiden tot een netto resultaat van € 1.7-2.3 miljard in 2013, vergeleken met een nettowinst van € 1.5 miljard in 2010.

Philips heeft aangekondigd dat het programma voor de inkoop van eigen aandelen onmiddelijk ingaat en zal duren tot het midden van 2012. Het is niet onredelijk te veronderstellen dat voor een bedrag van € 2 miljard ongeveer 100 miljoen aandelen kunnen worden ingekocht, hetgeen ruim 10% vertegenwoordigt van het uitstaande aandelenkapitaal van ruim 972 miljoen per eind juni 2011. Als we derhalve uitgaan van een aandelenkapitaal van 872 miljoen uitstaande aandelen in 2013 zou dit een netto resultaat per aandeel betekenen van € 1.95-2.60, vergeleken met € 1.54 voor 2010.



Met een dividend target van 40-50% van het doorlopend netto resultaat, zou dit moeten kunnen leiden tot een gestaag groeiend dividend van € 0.75 over 2010 tot minimaal € 0.85-0.90 over 2013.
Indien deze verwachtingen worden waargemaakt misstaat een koers/winstverhouding van minimaal 12 niet. Dit betekent dat op basis van het resultaat over 2013 de koers van Philips, bij het behalen van de gestelde verwachtingen, zich in een range van ongeveer € 24-31 zou moeten kunnen bevinden. De huidige koers van minder dan € 18 Euro is dan een forse discount. Zou Philips immers aan de minimale verwachtingen voldoen en een koers halen van € 24 Euro, dan levert dit een koerswinst op van 33% in ongeveer 3 jaar. Met een dividendrendement van nu ruim 4%, geeft dit een rendement op jaarbasis van zo’n 15%.

Conclusie

Philips heeft beleggers flink teleurgesteld met de aangepaste targets en het forse verlies in het tweede kwartaal. De afwaardering van goodwill geeft ook aan hoe kwetsbaar de balans is, waarbij de afwezigheid van vreemd vermogen wel een flinke veiligheidsbuffer geeft. Het nieuwe bestuur verdient echter het voordeel van de twijfel. De ingrepen zullen fors zijn en de gestelde targets zijn niet onrealistisch agressief, en zouden in de komende jaren tot een gestaag stijgend resultaat moeten kunnen leiden, waarbij via het aantrekkelijke dividendrendement en aanwezige koerspotentie een mooi totaalresultaat mogelijk is vanaf het huidige koersniveau. Tenslotte kan ook niet uitgesloten worden dat Philips bij deze niveaus mogelijk een aantrekkelijke overname kandidaat is. De mogelijkheden tot splitsing van de onderneming en de synergie effecten die daarbij behaald kunnen worden, moeten voor sommige partijen zeer aantrekkelijk zijn....

Disclaimer: De auteur heeft aandelenbelangen in Philips en heeft na publicatie van de halfjaarcijfers additionele posities ingenomen via het kopen van een Call spread December-2015 20-24

zaterdag 5 februari 2011

Het Spaarfonds AOW

Enige dagen geleden konden we lezen dat een meerderheid van de Tweede Kamer voor opheffing is van het Spaarfonds AOW. Dat is maar goed ook want het fonds is helemaal geen fonds, laat staan dat er in gespaard is om toekomstige AOW verplichtingen te bekostigen. In essentie is het een boekhoudtruc die de suggestie moet opwekken dat de overheid nu al aan het sparen is om de steeds hogere lasten voor de AOW op te vangen. Helaas is hiervan helemaal geen sprake.

In de rijksbegroting voor 2011 kan men lezen dat er per ultimo 2010 een bedrag in het Spaarfonds AOW zit van ruim 45 miljard Euro. In 2011 zou hierbij ten laste van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bedrag moeten worden gestort van 3.4 miljard Euro, terwijl er een bedrag van 1.9 miljard Euro aan renteinkomsten zou kunnen worden bijgeschreven. Per ultimo 2011 zou derhalve de omvang van het gespaarde vermogen in het fonds bijna 51 miljard Euro bedragen. Per 2020 zou de totale aanspraak van het fonds 115 miljard Euro dienen te bedragen.

Bij beëindiging van deze curieuze regeling, want van opheffing van een echt fonds kan geen sprake zijn, zullen deze administratieve boekingen weer in het niets verdwijnen.

De werking van het Spaarfonds AOW laat zich naar mijn mening ongeveer als volgt illustreren. Stel uw partner voorziet een grote uitgave over enige jaren, voor bijvoorbeeld een wereldreis of een nieuwe keuken, en maakt zich zorgen over de haalbaarheid van een dergelijke uitgave tezijnertijd. Om uw partner gerust te stellen stelt U voor het huishoudgeld te verhogen met 500 euro per maand, waarbij uw partner dit onmiddelijk aan U terug dient te geven om te sparen. Per saldo verandert er niets aan de gezinshuishouding, maar uw partner heeft wel de illusie dat er 6,000 Euro per jaar gespaard wordt. Als deze dan na bijvoorbeeld 3 jaar de reis wil gaan boeken of de keuken wil bestellen, in de veronderstelling dat er voldoende gespaard is, zult U helaas moeten toegeven, dat er helemaal niets gespaard is en dat de enige wijze om een dergelijke uitgave te financieren bestaat uit het afsluiten van een lening.

In de begrotingstoelichting wordt erkend dat ons land in de nabije toekomst een gigantisch probleem zal hebben vanwege de voortschrijdende vergrijzing van de Nederlandse bevolking. Ook wordt duidelijk gesteld dat het fonds geen echt vermogen bevat, maar dat er in feite alleen toekomstige verplichtingen worden geregistreerd. Doordat het fonds geen werkelijk gespaard vermogen bevat zullen de toekomstige verplichtingen derhalve gefinancierd moeten worden door te bezuinigen op de overheidsuitgaven, verhoging van de belastingen, verhoging van de staatsschuld, danwel een combinatie van deze drie maatregelen. Gegeven de problemen die de huidige regering heeft om 18 miljard Euro te besparen, kunt U zich voorstellen hoe de situatie zal zijn als in 2020 het AOW tekort is opgelopen tot 115 miljard Euro.

Op zijn weblog schreef Prof. Bas Jacobs op de dag voor hij het fonds zou bespreken met de Tweede Kamer het volgende:

“Geachte leden van de Tweede Kamer, het AOW-spaarfonds is daarom naar mijn opvatting je reinste volksverlakkerij. Talloze burgers verkeerden, of verkeren nog steeds, ten onrechte in de veronderstelling dat extra middelen zijn gereserveerd voor de AOW.”

Opheffen van het Spaarfonds AOW kan derhalve alleen maar toegejuicht worden, maar dient wel vergezeld te worden van een serieuze inspanning om het steeds maar toenemende AOW probleem daadwerkelijk op te lossen. Daarbij hoort naar mijn mening een snelle en substantiële verhoging van de AOW leeftijd om de verhouding actieve/inactieve bevolking op een acceptabel en dus betaalbaar niveau te houden.

Voor mensen die na hun pensionering verzekerd willen zijn van een goed inkomen lijkt het wenselijk om zelf te zorgen voor een goed spaarfonds. De overheid lijkt in deze op dit moment niet een erg betrouwbare partij te zijn.

Oh ja, vanaf omstreeks 2030 is de verwachting dat de aardgasopbrengsten drastisch af zullen nemen.......

donderdag 20 januari 2011

Put opties kopen doe je NU!

De titel van deze blogpost is wellicht eniszins provocerend en dient uiteraard genuanceerd te worden. Opties zijn echter op dit moment relatief goedkoop. Dit geldt zowel voor put opties als voor call opties. Dit betekent dat kopers van put opties zich goedkoop kunnen verzekeren tegen koersdalingen, terwijl kopers van call opties goedkoop kunnen speculeren op verdere koersstijgingen. De markt lijkt te zeggen dat de beurs voorlopig rustig zal doorkabbelen en dat er geen reden is voor hoge optieprijzen. Als belegger dient U zich af te vragen of er wel reden is om aan te nemen dat de rust is wedergekeerd op de aandelenmarkten en dat de onrust als gevolg van de kredietcrisis achter ons ligt. Ik ben van mening dat door de recent gestegen koersen en de relatieve prijsdaling van opties, de koop van put opties interessant kan zijn, want niets is tenslotte grilliger dan de beurs.

De kwalificatie van opties als relatief goedkoop op dit moment baseer ik op de hoogte van de AEX volatiliteits index, de zogenaamde VAEX. In een eerder artikel ben ik al uitvoerig ingegaan op deze index, die een indicatie geeft van de verwachtingen omtrent de koersbewegingen voor de komende periode van 30 dagen. Omdat de impliciete volatiliteit zo belangrijk is voor marktpartijen wordt hij actief gevolgd.

De reden dat ik de uitspraak doe dat opties relatief goedkoop zijn is gebaseerd op het feit dat de VAEX op dit moment erg laag is, zoals de volgende grafiek ook aantoont:



In de grafiek wordt het verloop van de VAEX getoond over de afgelopen 3 jaar, waarbij duidelijk is te zien dat de waarde van de VAEX historisch gezien laag is. Een vergelijking met de veel langer bestaande VIX, de volatiliteitsindex op S&P 500 opties, leert ons ook dat een bodem voor de index kan worden gevonden bij een waarde van zo’n 10-12. Dit geeft aan dat de waarschijnlijkheid dat de index nog veel verder zal dalen gering is, terwijl bij eventueel toenemende onrust in de markt de VAEX makkelijk zal kunnen stijgen.

Voor de koper van put opties is dit gunstig. We hebben een periode van stijgende koersen achter ons liggen, waarbij veel verliezen gedeeltelijk goedgemaakt zullen zijn en wellicht zelfs winsten zijn gemaakt, terwijl de kosten om de portefeuille te verzekeren tegen een koersdaling nu relatief laag zijn. Daar komt nog bij dat, indien zich een significante neerwaartse koerscorrectie voordoet, de waarde van een put optie, als gevolg van de gestegen impliciete volatiliteit, extra zal stijgen.

Kortom, overweegt U als belegger om put opties in te zetten als verzekeringsinstrument, dan is er sinds lange tijd geen beter moment geweest dan nu. Bij dalende koersen zult U te laat zijn; een koersverlies zal dan moeten worden geïncasseerd, terwijl de verzekeringskosten fors gestegen zullen zijn. En zoals bij elke verzekering die U afsluit, hoopt U gewoon dat de koersen verder zullen stijgen, en de verzekering achteraf overbodig zal blijken te zijn geweest.

dinsdag 18 januari 2011

De AEX index in 2011

Vorig jaar heb ik hier een voorspelling gemaakt over het verloop van de AEX-index, louter en alleen door naar het hoogste en laagste niveau te kijken ten opzichte van de ultimo stand van het vorige jaar. De conclusie was toen dat er met grote waarschijnlijkheid een correctie zou plaatsvinden in het nieuwe jaar van 5%-10%, binnen een redelijk korte termijn.
De realiteit was dat de AEX-index op 25 februari 2010 een niveau bereikte van 314.85 en een laagste niveau van het jaar op 25 mei 2010 van 305.01. Ten opzichte van de ultimo stand van 2009 van 335.33 waren dit dalingen van respectievelijk -6.1% en -9.0%. Dit bemoedigende resultaat nodigt uiteraard uit om een uitspraak te doen over het koersverloop van de AEX-index in 2011.

Hieronder is wederom de tabel die vorig jaar gebruikt werd om tot een voorspelling te komen, aangepast met de AEX-index gegevens van 2010:



In de eerste kolom “% tov vorige ultimo” valt te lezen dat in 15 van de 16 beschouwde periodes de AEX-index op enig moment in het jaar een waarde had onder de ultimo stand van het vorige jaar. De gemiddeld laagste waarde op enig moment was maar liefst -15.4% ten opzichte van de ultimo stand van het vorige jaar. De tijd om dit moment te bereiken was, evenals in de voorspelling van vorig jaar, 135 dagen. Daar er echter grote verschillen waren in het aantal dagen waarin dit laagtste punt bereikt werd, blijft timing een hachelijke zaak.

Interessant is het gegeven dat ook in 15 van de 16 beschouwde periodes de maximale stand van de AEX-index hoger was dan de voorgaande ultimo stand, terwijl in 11 van de 16 periodes een stijging van de index plaatsvond van ultimo tot ultimo. Dit zal voor enige “buy and hold” beleggers zeker een geruststelling zijn.

Voor zover aan deze historische data enige betekenis mag worden toegekend, kan derhalve weer een gelijke conclusie worden getrokken als vorig jaar, waarbij ook de koersontwikkeling van de eerste beursweken in aanmerking kan worden genomen.

Bij een AEX-index niveau van nu boven de 360, is er een significant risico dat een neerwaartse correctie zal plaatsvinden, waarbij een correctie van 5%-10% zeker tot de mogelijkheden behoort.

vrijdag 8 oktober 2010

De AOW leeftijd naar 66 jaar, te weinig en te laat!

In het concept regeerakkoord van de VVD-CDA is opgenomen dat de AOW leeftijd verhoogd zal worden naar 66 jaar, zonder dat hierbij echter een ingangsdatum is genoemd. Hiermee lijkt de toekomstige regering het principeakkoord van de werkgevers en vakbonden te volgen die vanaf 2020 de AOW-gerechtigde leeftijd willen verhogen naar 66 jaar. Hoe met deze maatregel het AOW probleem serieus wordt aangepakt lijkt een raadsel, want er zullen enorme lastenverzwaringen (of bezuinigingen) moeten plaatsvinden om de AOW op de huidige wijze te handhaven in de toekomst. Een verhoging van de AOW leeftijd met 1 jaar, die pas over 10 jaar zal ingaan, biedt nauwelijks verlichting. De volgende grafiek, waarin de ontwikkeling van de grijze druk van 1900 tot 2050 wordt getoond, laat duidelijk zien op welk probleem we afstormen, indien geen adequate maatregelen worden genomen.




In 2010 zullen er per oudere vanaf 65 jaar ongeveer 4 mensen zijn in de leeftijd 20 tot 64 jaar, hetgeen via de recher as is af te lezen. De term die daarvoor gebruikt wordt is grijze druk, de verhouding tussen de 65-plussers en de potentiële beroepsbevolking. Met de verhouding van 1 op 4 bedraagt deze nu dus ongeveer 25%, hetgeen op de linker as is te zien. De grafiek laat duidelijk zien hoe de grijze druk aan het toenemen is. In 1957, het jaar waarin de AOW werd geïntroduceerd, bedroeg de grijze druk ongeveer 16%. Dit betekent dat op dat moment ruim 6 mensen van de potentiële beroepsbevolking, via een omslagstelsel, de AOW van 1 persoon financierden. In 2020 zullen dit nog slechts ongeveer 3 personen zijn, terwijl het in 2040 zelfs gedaald zal zijn tot ruim 2. De grafiek laat ook het effect zien van de verhoging van 65 jaar naar 66 jaar. Het lijkt mij erg moeilijk om van dit effect onder de indruk te raken. Slechts bij een AOW leeftijd van bijna 69 jaar in 2020 zou de grijze druk in dat jaar vergelijkbaar zijn met de huidige grijze druk.

In 2020 zullen er ruim 800 duizend 65-plussers meer zijn dan in 2010. Door op dat moment te AOW leeftijd te verhogen naar 66 jaar zal slechts een correctie plaatsvinden van 200 duizend mensen. Op dat moment zullen er in Nederland ongeveer 3.2 miljoen mensen wonen van 66 jaar of ouder. Op het hoogtepunt van de vergrijzing in 2040 zullen in Nederland volgens verwachting 4.3 miljoen mensen wonen die 66 jaar of ouder zijn.

De AOW wordt via een omslagstelsel betaald waarbij in de eerste twee schijven van de belastingtarieven een percentage van 17.9% wordt ingehouden aan premies om de AOW te bekostigen. In 2010 betekent dit dat een belastingplichtige maximaal 5,860 Euro bijdraagt aan AOW premies, bij een maximaal premieplichtig inkomen van 32,738 Euro. Deze premies zijn echter niet meer voldoende om de totale AOW verplichtingen te dekken. Voor 2010 wordt verwacht dat de AOW uitgaven ongeveer 30 miljard euro bedragen, waarvan bijna 17 miljard euro via ontvangen premies wordt betaald. Het verschil zal dienen te worden aangevuld uit de algemene middelen.

In 2020 zal het aantal AOW gerechtigden bijna een kwart hoger zijn dan nu, terwijl de potentiële beroepsbevolking ongeveer gelijk blijft. Wat dit betekent voor de kosten die aangevuld dienen te worden uit de algemene middelen laat zich raden.

Dat op enig moment in de toekomst de AOW leeftijd substantiëler verhoogd zal worden dan nu wordt voorgesteld lijkt onvermijdelijk. Het is te hopen dat de nieuwe regering in ieder geval de verhoging tot 66 jaar snel zal laten ingaan en wellicht in een nieuwe regeerperiode meer daadkracht laat zien.

vrijdag 10 september 2010

Dekkingsgraad ABP diep weggezakt

Zojuist las ik dit artikel met bovenstaande titel, waarin gemeld wordt dat de dekkingsgraad van het ABP fors gedaald is tot 88% als gevolg van "een daling van de rente tot een historisch laag niveau".
Op zich zou dat geen probleem moeten zijn, indien de lage rente ook lage inflatieverwachtingen weerspiegelt, en het reële renteniveau op peil blijft. Het probleem lijkt mij echter dat de reële vergoeding voor belegd vermogen nog nauwelijks compensatie biedt voor inflatie, laat staan dat er nog een "echt" rendement overblijft.

Als deze situatie zich structureel voordoet zal dit tot gigantische problemen leiden voor latere pensioenverplichtingen. Het reële rendement op vermogen is immers een cruciale factor bij de ontwikkeling van pensioenvermogen waaruit latere pensioenverplichtingen betaald moeten worden. Verdere verlenging van de levensverwachting gooit nog meer olie op het vuur.

Ik vrees dat men niet zal ontkomen aan een nieuwe realiteit waar meer gespaard zal moeten worden, individueel of collectief, of waar de pensioenleeftijd verder verhoogd zal dienen te worden. Hoe sneller men dit inziet, hoe meer latere pijn vermeden kan worden.