woensdag 27 juli 2011

Wat doen we nu met Philips?

Na een voortvarend begin in 2011, waarbij de koers van Philips een niveau behaalde van € 25.34 op 18 januari, is het hard achteruit gegaan, waarbij het aandeel zich de laatste weken beweegt in een range van € 17-18. Sinds het begin van 2011 heeft het aandeel ruim 23% van zijn waarde verloren, terwijl de AEX index “slechts” 5% daalde. Uiteraard heeft dit alles te maken met de tegenvallende resultaten en vooruitzichten zoals die de afgelopen maanden zijn gecommuniceerd. De presentatie en toelichting van de halfjaarcijfers hebben vooralsnog niet tot een enig herstel van de aandelenkoers geleid en men kan zich afvragen of dit terecht is en of de huidige koers van Philips wel de werkelijke waarde reflecteert.

Bij de presentatie van de halfjaarcijfers over 2011 was Philips duidelijk over de nieuwe doelstellingen voor de middellange termijn, en op basis van deze doelstellingen kan getracht worden te bepalen wat de winstgevendheid van de onderneming in 2013 ongeveer zou moeten zijn.
Door voortvarend maatregelen te nemen, onder andere via het “Accelerate” kostenreductieprogramma, waarbij een kostenbesparing van € 500 miljoen gerealiseerd dient te worden, en de inkoop van eigen aandelen ter waarde van € 2 miljard, verwacht het nieuwe bestuur van Philips de volgende targets te halen op middellange termijn (2013):

• Omzet groei 4-6%
• EBITA 10-12%
• ROIC 12-14%

Op basis van deze targets voor omzet en EBITA kunnen we proberen een range te bepalen voor de nettowinst voor 2013:



Uit de tabel blijkt dat in 2013 een omzet verwacht kan worden van € 28.0-29.7 miljard en EBITA van € 2.8-3.6 miljard, waarbij in 2011 een lage omzet groei van slechts 2-4% als uitgangspunt is genomen . Met een EBITA van ruim € 2.5 miljard in 2010 lijkt dit niet bijzonder agressief of onrealistisch.
Om van EBITA naar netto resultaat te komen, dienen nog amortisatie, interest, belastingen en overige resultaten in aanmerking genomen te worden. Hierbij zullen amortisatie en belastingen de dominante posten vormen. Voor deze exercitie is aangenomen dat de zojuist genoemde posten een waarde van € 1.1 miljard bedragen in het conservatieve scenario en € 1.3 miljard, vanwege de hogere belastingen, in het positievere scenario. Dit zou leiden tot een netto resultaat van € 1.7-2.3 miljard in 2013, vergeleken met een nettowinst van € 1.5 miljard in 2010.

Philips heeft aangekondigd dat het programma voor de inkoop van eigen aandelen onmiddelijk ingaat en zal duren tot het midden van 2012. Het is niet onredelijk te veronderstellen dat voor een bedrag van € 2 miljard ongeveer 100 miljoen aandelen kunnen worden ingekocht, hetgeen ruim 10% vertegenwoordigt van het uitstaande aandelenkapitaal van ruim 972 miljoen per eind juni 2011. Als we derhalve uitgaan van een aandelenkapitaal van 872 miljoen uitstaande aandelen in 2013 zou dit een netto resultaat per aandeel betekenen van € 1.95-2.60, vergeleken met € 1.54 voor 2010.



Met een dividend target van 40-50% van het doorlopend netto resultaat, zou dit moeten kunnen leiden tot een gestaag groeiend dividend van € 0.75 over 2010 tot minimaal € 0.85-0.90 over 2013.
Indien deze verwachtingen worden waargemaakt misstaat een koers/winstverhouding van minimaal 12 niet. Dit betekent dat op basis van het resultaat over 2013 de koers van Philips, bij het behalen van de gestelde verwachtingen, zich in een range van ongeveer € 24-31 zou moeten kunnen bevinden. De huidige koers van minder dan € 18 Euro is dan een forse discount. Zou Philips immers aan de minimale verwachtingen voldoen en een koers halen van € 24 Euro, dan levert dit een koerswinst op van 33% in ongeveer 3 jaar. Met een dividendrendement van nu ruim 4%, geeft dit een rendement op jaarbasis van zo’n 15%.

Conclusie

Philips heeft beleggers flink teleurgesteld met de aangepaste targets en het forse verlies in het tweede kwartaal. De afwaardering van goodwill geeft ook aan hoe kwetsbaar de balans is, waarbij de afwezigheid van vreemd vermogen wel een flinke veiligheidsbuffer geeft. Het nieuwe bestuur verdient echter het voordeel van de twijfel. De ingrepen zullen fors zijn en de gestelde targets zijn niet onrealistisch agressief, en zouden in de komende jaren tot een gestaag stijgend resultaat moeten kunnen leiden, waarbij via het aantrekkelijke dividendrendement en aanwezige koerspotentie een mooi totaalresultaat mogelijk is vanaf het huidige koersniveau. Tenslotte kan ook niet uitgesloten worden dat Philips bij deze niveaus mogelijk een aantrekkelijke overname kandidaat is. De mogelijkheden tot splitsing van de onderneming en de synergie effecten die daarbij behaald kunnen worden, moeten voor sommige partijen zeer aantrekkelijk zijn....

Disclaimer: De auteur heeft aandelenbelangen in Philips en heeft na publicatie van de halfjaarcijfers additionele posities ingenomen via het kopen van een Call spread December-2015 20-24

Lees verder....

zaterdag 5 februari 2011

Het Spaarfonds AOW

Enige dagen geleden konden we lezen dat een meerderheid van de Tweede Kamer voor opheffing is van het Spaarfonds AOW. Dat is maar goed ook want het fonds is helemaal geen fonds, laat staan dat er in gespaard is om toekomstige AOW verplichtingen te bekostigen. In essentie is het een boekhoudtruc die de suggestie moet opwekken dat de overheid nu al aan het sparen is om de steeds hogere lasten voor de AOW op te vangen. Helaas is hiervan helemaal geen sprake.

In de rijksbegroting voor 2011 kan men lezen dat er per ultimo 2010 een bedrag in het Spaarfonds AOW zit van ruim 45 miljard Euro. In 2011 zou hierbij ten laste van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bedrag moeten worden gestort van 3.4 miljard Euro, terwijl er een bedrag van 1.9 miljard Euro aan renteinkomsten zou kunnen worden bijgeschreven. Per ultimo 2011 zou derhalve de omvang van het gespaarde vermogen in het fonds bijna 51 miljard Euro bedragen. Per 2020 zou de totale aanspraak van het fonds 115 miljard Euro dienen te bedragen.

Bij beëindiging van deze curieuze regeling, want van opheffing van een echt fonds kan geen sprake zijn, zullen deze administratieve boekingen weer in het niets verdwijnen.

De werking van het Spaarfonds AOW laat zich naar mijn mening ongeveer als volgt illustreren. Stel uw partner voorziet een grote uitgave over enige jaren, voor bijvoorbeeld een wereldreis of een nieuwe keuken, en maakt zich zorgen over de haalbaarheid van een dergelijke uitgave tezijnertijd. Om uw partner gerust te stellen stelt U voor het huishoudgeld te verhogen met 500 euro per maand, waarbij uw partner dit onmiddelijk aan U terug dient te geven om te sparen. Per saldo verandert er niets aan de gezinshuishouding, maar uw partner heeft wel de illusie dat er 6,000 Euro per jaar gespaard wordt. Als deze dan na bijvoorbeeld 3 jaar de reis wil gaan boeken of de keuken wil bestellen, in de veronderstelling dat er voldoende gespaard is, zult U helaas moeten toegeven, dat er helemaal niets gespaard is en dat de enige wijze om een dergelijke uitgave te financieren bestaat uit het afsluiten van een lening.

In de begrotingstoelichting wordt erkend dat ons land in de nabije toekomst een gigantisch probleem zal hebben vanwege de voortschrijdende vergrijzing van de Nederlandse bevolking. Ook wordt duidelijk gesteld dat het fonds geen echt vermogen bevat, maar dat er in feite alleen toekomstige verplichtingen worden geregistreerd. Doordat het fonds geen werkelijk gespaard vermogen bevat zullen de toekomstige verplichtingen derhalve gefinancierd moeten worden door te bezuinigen op de overheidsuitgaven, verhoging van de belastingen, verhoging van de staatsschuld, danwel een combinatie van deze drie maatregelen. Gegeven de problemen die de huidige regering heeft om 18 miljard Euro te besparen, kunt U zich voorstellen hoe de situatie zal zijn als in 2020 het AOW tekort is opgelopen tot 115 miljard Euro.

Op zijn weblog schreef Prof. Bas Jacobs op de dag voor hij het fonds zou bespreken met de Tweede Kamer het volgende:

“Geachte leden van de Tweede Kamer, het AOW-spaarfonds is daarom naar mijn opvatting je reinste volksverlakkerij. Talloze burgers verkeerden, of verkeren nog steeds, ten onrechte in de veronderstelling dat extra middelen zijn gereserveerd voor de AOW.”

Opheffen van het Spaarfonds AOW kan derhalve alleen maar toegejuicht worden, maar dient wel vergezeld te worden van een serieuze inspanning om het steeds maar toenemende AOW probleem daadwerkelijk op te lossen. Daarbij hoort naar mijn mening een snelle en substantiële verhoging van de AOW leeftijd om de verhouding actieve/inactieve bevolking op een acceptabel en dus betaalbaar niveau te houden.

Voor mensen die na hun pensionering verzekerd willen zijn van een goed inkomen lijkt het wenselijk om zelf te zorgen voor een goed spaarfonds. De overheid lijkt in deze op dit moment niet een erg betrouwbare partij te zijn.

Oh ja, vanaf omstreeks 2030 is de verwachting dat de aardgasopbrengsten drastisch af zullen nemen.......

Lees verder....

donderdag 20 januari 2011

Put opties kopen doe je NU!

De titel van deze blogpost is wellicht eniszins provocerend en dient uiteraard genuanceerd te worden. Opties zijn echter op dit moment relatief goedkoop. Dit geldt zowel voor put opties als voor call opties. Dit betekent dat kopers van put opties zich goedkoop kunnen verzekeren tegen koersdalingen, terwijl kopers van call opties goedkoop kunnen speculeren op verdere koersstijgingen. De markt lijkt te zeggen dat de beurs voorlopig rustig zal doorkabbelen en dat er geen reden is voor hoge optieprijzen. Als belegger dient U zich af te vragen of er wel reden is om aan te nemen dat de rust is wedergekeerd op de aandelenmarkten en dat de onrust als gevolg van de kredietcrisis achter ons ligt. Ik ben van mening dat door de recent gestegen koersen en de relatieve prijsdaling van opties, de koop van put opties interessant kan zijn, want niets is tenslotte grilliger dan de beurs.

De kwalificatie van opties als relatief goedkoop op dit moment baseer ik op de hoogte van de AEX volatiliteits index, de zogenaamde VAEX. In een eerder artikel ben ik al uitvoerig ingegaan op deze index, die een indicatie geeft van de verwachtingen omtrent de koersbewegingen voor de komende periode van 30 dagen. Omdat de impliciete volatiliteit zo belangrijk is voor marktpartijen wordt hij actief gevolgd.

De reden dat ik de uitspraak doe dat opties relatief goedkoop zijn is gebaseerd op het feit dat de VAEX op dit moment erg laag is, zoals de volgende grafiek ook aantoont:



In de grafiek wordt het verloop van de VAEX getoond over de afgelopen 3 jaar, waarbij duidelijk is te zien dat de waarde van de VAEX historisch gezien laag is. Een vergelijking met de veel langer bestaande VIX, de volatiliteitsindex op S&P 500 opties, leert ons ook dat een bodem voor de index kan worden gevonden bij een waarde van zo’n 10-12. Dit geeft aan dat de waarschijnlijkheid dat de index nog veel verder zal dalen gering is, terwijl bij eventueel toenemende onrust in de markt de VAEX makkelijk zal kunnen stijgen.

Voor de koper van put opties is dit gunstig. We hebben een periode van stijgende koersen achter ons liggen, waarbij veel verliezen gedeeltelijk goedgemaakt zullen zijn en wellicht zelfs winsten zijn gemaakt, terwijl de kosten om de portefeuille te verzekeren tegen een koersdaling nu relatief laag zijn. Daar komt nog bij dat, indien zich een significante neerwaartse koerscorrectie voordoet, de waarde van een put optie, als gevolg van de gestegen impliciete volatiliteit, extra zal stijgen.

Kortom, overweegt U als belegger om put opties in te zetten als verzekeringsinstrument, dan is er sinds lange tijd geen beter moment geweest dan nu. Bij dalende koersen zult U te laat zijn; een koersverlies zal dan moeten worden geïncasseerd, terwijl de verzekeringskosten fors gestegen zullen zijn. En zoals bij elke verzekering die U afsluit, hoopt U gewoon dat de koersen verder zullen stijgen, en de verzekering achteraf overbodig zal blijken te zijn geweest.

Lees verder....

dinsdag 18 januari 2011

De AEX index in 2011

Vorig jaar heb ik hier een voorspelling gemaakt over het verloop van de AEX-index, louter en alleen door naar het hoogste en laagste niveau te kijken ten opzichte van de ultimo stand van het vorige jaar. De conclusie was toen dat er met grote waarschijnlijkheid een correctie zou plaatsvinden in het nieuwe jaar van 5%-10%, binnen een redelijk korte termijn.
De realiteit was dat de AEX-index op 25 februari 2010 een niveau bereikte van 314.85 en een laagste niveau van het jaar op 25 mei 2010 van 305.01. Ten opzichte van de ultimo stand van 2009 van 335.33 waren dit dalingen van respectievelijk -6.1% en -9.0%. Dit bemoedigende resultaat nodigt uiteraard uit om een uitspraak te doen over het koersverloop van de AEX-index in 2011.

Hieronder is wederom de tabel die vorig jaar gebruikt werd om tot een voorspelling te komen, aangepast met de AEX-index gegevens van 2010:



In de eerste kolom “% tov vorige ultimo” valt te lezen dat in 15 van de 16 beschouwde periodes de AEX-index op enig moment in het jaar een waarde had onder de ultimo stand van het vorige jaar. De gemiddeld laagste waarde op enig moment was maar liefst -15.4% ten opzichte van de ultimo stand van het vorige jaar. De tijd om dit moment te bereiken was, evenals in de voorspelling van vorig jaar, 135 dagen. Daar er echter grote verschillen waren in het aantal dagen waarin dit laagtste punt bereikt werd, blijft timing een hachelijke zaak.

Interessant is het gegeven dat ook in 15 van de 16 beschouwde periodes de maximale stand van de AEX-index hoger was dan de voorgaande ultimo stand, terwijl in 11 van de 16 periodes een stijging van de index plaatsvond van ultimo tot ultimo. Dit zal voor enige “buy and hold” beleggers zeker een geruststelling zijn.

Voor zover aan deze historische data enige betekenis mag worden toegekend, kan derhalve weer een gelijke conclusie worden getrokken als vorig jaar, waarbij ook de koersontwikkeling van de eerste beursweken in aanmerking kan worden genomen.

Bij een AEX-index niveau van nu boven de 360, is er een significant risico dat een neerwaartse correctie zal plaatsvinden, waarbij een correctie van 5%-10% zeker tot de mogelijkheden behoort.

Lees verder....

vrijdag 8 oktober 2010

De AOW leeftijd naar 66 jaar, te weinig en te laat!

In het concept regeerakkoord van de VVD-CDA is opgenomen dat de AOW leeftijd verhoogd zal worden naar 66 jaar, zonder dat hierbij echter een ingangsdatum is genoemd. Hiermee lijkt de toekomstige regering het principeakkoord van de werkgevers en vakbonden te volgen die vanaf 2020 de AOW-gerechtigde leeftijd willen verhogen naar 66 jaar. Hoe met deze maatregel het AOW probleem serieus wordt aangepakt lijkt een raadsel, want er zullen enorme lastenverzwaringen (of bezuinigingen) moeten plaatsvinden om de AOW op de huidige wijze te handhaven in de toekomst. Een verhoging van de AOW leeftijd met 1 jaar, die pas over 10 jaar zal ingaan, biedt nauwelijks verlichting. De volgende grafiek, waarin de ontwikkeling van de grijze druk van 1900 tot 2050 wordt getoond, laat duidelijk zien op welk probleem we afstormen, indien geen adequate maatregelen worden genomen.




In 2010 zullen er per oudere vanaf 65 jaar ongeveer 4 mensen zijn in de leeftijd 20 tot 64 jaar, hetgeen via de recher as is af te lezen. De term die daarvoor gebruikt wordt is grijze druk, de verhouding tussen de 65-plussers en de potentiële beroepsbevolking. Met de verhouding van 1 op 4 bedraagt deze nu dus ongeveer 25%, hetgeen op de linker as is te zien. De grafiek laat duidelijk zien hoe de grijze druk aan het toenemen is. In 1957, het jaar waarin de AOW werd geïntroduceerd, bedroeg de grijze druk ongeveer 16%. Dit betekent dat op dat moment ruim 6 mensen van de potentiële beroepsbevolking, via een omslagstelsel, de AOW van 1 persoon financierden. In 2020 zullen dit nog slechts ongeveer 3 personen zijn, terwijl het in 2040 zelfs gedaald zal zijn tot ruim 2. De grafiek laat ook het effect zien van de verhoging van 65 jaar naar 66 jaar. Het lijkt mij erg moeilijk om van dit effect onder de indruk te raken. Slechts bij een AOW leeftijd van bijna 69 jaar in 2020 zou de grijze druk in dat jaar vergelijkbaar zijn met de huidige grijze druk.

In 2020 zullen er ruim 800 duizend 65-plussers meer zijn dan in 2010. Door op dat moment te AOW leeftijd te verhogen naar 66 jaar zal slechts een correctie plaatsvinden van 200 duizend mensen. Op dat moment zullen er in Nederland ongeveer 3.2 miljoen mensen wonen van 66 jaar of ouder. Op het hoogtepunt van de vergrijzing in 2040 zullen in Nederland volgens verwachting 4.3 miljoen mensen wonen die 66 jaar of ouder zijn.

De AOW wordt via een omslagstelsel betaald waarbij in de eerste twee schijven van de belastingtarieven een percentage van 17.9% wordt ingehouden aan premies om de AOW te bekostigen. In 2010 betekent dit dat een belastingplichtige maximaal 5,860 Euro bijdraagt aan AOW premies, bij een maximaal premieplichtig inkomen van 32,738 Euro. Deze premies zijn echter niet meer voldoende om de totale AOW verplichtingen te dekken. Voor 2010 wordt verwacht dat de AOW uitgaven ongeveer 30 miljard euro bedragen, waarvan bijna 17 miljard euro via ontvangen premies wordt betaald. Het verschil zal dienen te worden aangevuld uit de algemene middelen.

In 2020 zal het aantal AOW gerechtigden bijna een kwart hoger zijn dan nu, terwijl de potentiële beroepsbevolking ongeveer gelijk blijft. Wat dit betekent voor de kosten die aangevuld dienen te worden uit de algemene middelen laat zich raden.

Dat op enig moment in de toekomst de AOW leeftijd substantiëler verhoogd zal worden dan nu wordt voorgesteld lijkt onvermijdelijk. Het is te hopen dat de nieuwe regering in ieder geval de verhoging tot 66 jaar snel zal laten ingaan en wellicht in een nieuwe regeerperiode meer daadkracht laat zien.

Lees verder....

vrijdag 10 september 2010

Dekkingsgraad ABP diep weggezakt

Zojuist las ik dit artikel met bovenstaande titel, waarin gemeld wordt dat de dekkingsgraad van het ABP fors gedaald is tot 88% als gevolg van "een daling van de rente tot een historisch laag niveau".
Op zich zou dat geen probleem moeten zijn, indien de lage rente ook lage inflatieverwachtingen weerspiegelt, en het reële renteniveau op peil blijft. Het probleem lijkt mij echter dat de reële vergoeding voor belegd vermogen nog nauwelijks compensatie biedt voor inflatie, laat staan dat er nog een "echt" rendement overblijft.

Als deze situatie zich structureel voordoet zal dit tot gigantische problemen leiden voor latere pensioenverplichtingen. Het reële rendement op vermogen is immers een cruciale factor bij de ontwikkeling van pensioenvermogen waaruit latere pensioenverplichtingen betaald moeten worden. Verdere verlenging van de levensverwachting gooit nog meer olie op het vuur.

Ik vrees dat men niet zal ontkomen aan een nieuwe realiteit waar meer gespaard zal moeten worden, individueel of collectief, of waar de pensioenleeftijd verder verhoogd zal dienen te worden. Hoe sneller men dit inziet, hoe meer latere pijn vermeden kan worden.

Lees verder....

donderdag 9 september 2010

Alternatief rendement op vastgoed

Voor beleggers die zich concentreren op het genereren van inkomen in de vorm van cash uit hun beleggingen zijn het magere tijden. Staatsobligaties met een looptijd van minder dan drie jaar geven een rendement van ruim onder 1%, terwijl de 10-jaars Nederlandse staatslening een rendement oplevert van slechts 2.4%. Ook bij spaarrekeningen zijn de rentetarieven fors gezakt nu men van de ergste schrik van de kredietcrisis bekomen is. Een rentetarief van 2%-2.5% is al heel behoorlijk, waarbij beleggers er vooral voor zorgen dat hun spaargelden onder het depositogarantiestelsel vallen, om debiteurenrisico te vermijden.

Het is daarom niet verwonderlijk dat veel beleggers naarstig op zoek zijn naar alternatieven die hogere rendementen opleveren. Bedrijfsobligaties kunnen overwogen worden, waarbij het aanlokkelijk lijkt om obligaties te kopen met een steeds lagere rating. Aandelen met een hoog dividendrendement zien er ook ineens een stuk aantrekkelijker uit. Ook banken spelen handig in op de zoektocht naar rendement door produkten aan te bieden die mogelijk hogere rendementen opleveren. Het vervelende van al deze alternatieven is echter dat de risiso’s ook zullen toenemen en risico heeft een prijs, waarbij we vaak pas achteraf kunnen vaststellen of de prijs van het risico voldoende was.

Beleggers die kiezen voor aandelen met een hoog dividendrendement zullen er niet aan ontkomen vastgoedfondsen in overweging te nemen. In de AEX index bevinden zich drie vastgoedfondsen, namelijk Corio, Unibail-Rodamco en Wereldhave. Met de consensus dividendvoorspelling bij Alex en de huidige koersen geven die het volgende beeld:



Het is duidelijk dat op basis van de huidige verwachtingen het dividendrendement van deze fondsen ruim boven het rendement op staatsleningen en spaarrekeningen ligt. Naast dit dividendrendement kan geprofiteerd worden van mogelijke koersstijgingen. Helaas zullen mogelijke koersdalingen ook geaccepteerd moeten worden, en deze zullen uiteraard een negatief effect hebben op het totaal rendement.

Voor beleggers die een aankoop van vastgoedfondsen overwegen vanwege het mooie dividendrendement, maar huiverig zijn voor eventuele koersdalingen, is er een mooi alternatief via een simpele optieconstructie, waarbij men niets meer doet dan het verkopen van put-opties die ver out-of-the-money zijn. De put-optie wordt in dit geval gebruikt als instrument om een eventuele aankoopkoers vast te leggen op een niveau onder de huidige beurskoers. Door een dergelijke verplichting aan te gaan kan een rendement behaald worden dat vergelijkbaar is met het dividendrendement, maar waarbij koersrisico pas plaatsvindt op een substantieel lager niveau dan de huidige beurskoers. De volgende tabel kan dit illustreren:



In het voorbeeld hebben we gekeken naar opties die expireren in juni 2011, hetgeen de laatst mogelijk expiratiedatum voor deze fondsen is. Gekozen is voor een uitoefenprijs die ongeveer 25% ligt onder de huidige beurskoers. De verkoper van dergelijke putopties verklaart zich dus, tegen een vergoeding, bereid tot de expiratiedatum de aandelen te kopen tegen de uitoefenprijs. In deze strategie doen we geen enge speculatieve dingen, maar we reserveren simpelweg een bedrag dat adequaat is voor de aankoop van de aandelen en zetten dit rentedragend op een spaarrekening.

Als we Corio als voorbeeld nemen, werkt de strategie als volgt. Middels het verkopen van een putoptie verplicht de belegger zich om mogelijkerwijs de aandelen op 17 juni 2011 te kopen voor een bedrag van 36 euro per aandeel. Bij verkoop van 1 contract dient dus op dat moment een bedrag van 3,600 euro beschikbaar te zijn. Dit betekent dat bij een spaarrente op jaarbasis van 2.5% er nu reeds een bedrag van 3,532 beschikbaar moet zijn dat rentedragend weggezet kan worden. Op het moment van de transactie wordt echter ook de optiepremie van 0.90 euro ontvangen, ofwel 90 euro voor 1 contract, waardoor het eigen beschikbare bedrag voor de belegger gelijk dient te zijn aan 3,442 euro. Indien op de expiratiedatum de koers van Corio hoger is dan 36 euro, zal de optie waardeloos expireren, en zal de belegger het inmiddels aangegroeide bedrag van 3,600 euro weer naar eigen inzicht kunnen besteden. Het rendement van rente en optiepremie samen laat zich berekenen als 5.94% op jaarbasis.

Het prettige van deze put-optie strategie is dat de waarde van de positie slechts zeer langzaam verandert, en dus een lage volatiliteit heeft. Door de aandelen te kopen zou de waarde van de positie meebewegen met de koersbewegingen, zowel in positieve als in negatieve zin, en dus een veel hogere volatiliteit hebben. Een belegger moet zich wel realiseren dat eventuele koersstijgingen zijn opgegeven. Daartegenover staat dan weer wel een beschermingsbuffer van ongeveer 25% tegen koersdalingen.

Lees verder....